Als het over onderwijs gaat, staat het leren van leerlingen altijd centraal. Gelukkig komt er ook steeds meer aandacht voor het leren van docenten. Na de initiële lerarenopleiding wordt er immers veel geleerd in het onderwijs: in de praktijk en via na- en bijscholing. Het is interessant te onderzoeken hoe het leren van docenten in het onderwijs wordt georganiseerd.
Vijf manieren van leren van docenten
Niet zo lang geleden werd bekend dat volgens de OESO de na- en bijscholing van docenten in Nederland op een laag pitje staat. Daarmee is niet gezegd dat er niet veel geleerd zou worden door docenten in Nederland. Na- en bijscholing is één van de manieren van leren van docenten. Het is een wijze van leren die valt in de categorie van het formele leren via cursussen, opleidingen, trainingen, boeken en artikelen lezen, conferenties, etc. Daarnaast zijn er minstens nog vier andere categorieën leeractiviteiten van docenten te noemen (we gebruiken hier dus een indeling naar soorten leeractiviteiten en niet naar soorten leren):
- leren door te doen en daarop te reflecteren
- leren door te kijken bij anderen
- leren door onderzoek te doen, artikelen te schrijven, et cetera
- leren door verandering (als een docent van de onderbouw in de bovenbouw terechtkomt, leert hij ‘vanzelf’ bij)
Het is niet bekend welke leeractiviteit het meest efficiënt is, waarschijnlijk zal het wel een combinatie zijn van activiteiten en de effectiviteit zal ook wel persoonsgebonden zijn. Het is interessant om in je eigen schoolorganisatie op zoek te gaan of en waar deze vijf leeractiviteiten plaatsvinden, door wie ze ondernomen worden en wie ze geïnitieerd heeft. Zo’n scan levert een aardig beeld op van het lerend vermogen van de organisatie. Op de een of andere manier moeten bovenstaande leeractiviteiten georganiseerd worden, ze gebeuren niet vanzelf.
Lerende organisatie
Het begrip lerende organisatie wordt te pas en te onpas gebruikt. Zonder veel bekommernis over wat er precies onder verstaan moet worden. Organisaties zelf kunnen uiteraard niet leren, dat kunnen alleen mensen in die organisatie. Je zou kunnen zeggen dat in lerende organisaties veel geleerd wordt door veel mensen in die organisatie en dat het geleerde met elkaar in verband gebracht wordt, zodat de organisatie goed kan reageren op veranderingen in de omgeving. Een lerende schoolorganisatie (gek en jammer dat er ook niet-lerende scholen zijn) is dus een school waar bovengenoemde vijf leeractiviteiten veelvuldig georganiseerd worden. En waar daarenboven ook nog regie gevoerd wordt op de kennisdeling tussen de medewerkers of groepen medewerkers om het geleerde te verbinden. Er zijn erg weinig voorbeelden van lerende schoolorganisaties in Nederland.
Leren docenten op dezelfde wijze als leerlingen?
Vaak wordt iets te snel ontkennend gereageerd op deze vraag. Er wordt dan bijvoorbeeld verondersteld dat docenten meer gemotiveerd zouden zijn voor het leren dan leerlingen. Maar die veronderstelling is nauwelijks vol te houden als je kijkt naar de leeractiviteiten van docenten. Docenten kijken bijna nog kritischer naar voorgeschotelde leeractiviteiten dan leerlingen. Net als leerlingen gaat bij docenten de waardering voor de leeractiviteiten meestal boven de waardering voor de inhoud. Leerlingen zijn misschien niet zo gemotiveerd voor het leren van Franse grammatica, maar kunnen wel actief en geëngageerd meedoen met goed gekozen leeractiviteiten op dat terrein. Niet zelden is er dan een element van sociaal leren in het spel. Activiteiten samen met anderen. Bij docenten is dat niet anders. Docenten waarderen een goede voordracht, leuke werkvormen, goede gesprekken met elkaar, een mooie leeromgeving.
Onderzoek naar het leren van docenten
Het is de moeite waard om te onderzoeken of het leren van docenten en het leren van leerlingen op elkaar lijken. Want als dat inderdaad het geval blijkt te zijn (en er zijn aanwijzingen dat dit zo is), levert de reflectie op het eigen leren door de docent veel informatie op over de didactiek voor de leerlingen. Eerste voorwaarde is natuurlijk dan wel dat er überhaupt geleerd wordt door de docent. Het onderzoek wordt nog interessanter als het leren van de docent over het leren van leerlingen gaat, wat natuurlijk niet uitzonderlijk is bij nascholingsactiviteiten. Je leert dan op een dubbele manier: zowel via de inhoud als via de vorm.
Van vakmanschap naar Meesterschap
Veel leraren willen wel leren en onderzoek doen, maar nemen er de tijd niet voor. In kortdurende nascholingstrajecten is maar weinig ruimte voor onderzoek. De deelnemers hebben het al druk genoeg om nieuwe kennis en vaardigheden toe te passen in de praktijk, laat staan dat ze echt aan onderzoek toekomen. Daarom is er in het onderwijs steeds meer belangstelling voor masteropleidingen, waarin deelnemers in kleine, gemotiveerde leergroepen leren hoe zij onderzoek kunnen opzetten en uitvoeren. Hiermee slaan deze onderwijsprofessionals een dubbele slag: ze dragen bij aan de kwaliteit van het onderwijs en tillen hun eigen beroep naar een hoger niveau: van vakmanschap naar Meesterschap. Als dat geen gemotiveerde leraren oplevert!
Dit artikel is geschreven in samenwerking met Ben van der Hilst, directeur van Centrum voor Nascholing Amsterdam
Het Centrum voor Nascholing Amsterdam (CNA) verzorgt in alle sectoren van het onderwijs professionaliseringsactiviteiten voor docenten, management en onderwijsondersteunend personeel. CNA voert de nascholingsactiviteiten uit van het Instituut
voor de Lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam en van de Hogeschool van Amsterdam Onderwijs en Opvoeding.
