In de huidige economische recessie moeten veel werkgevers noodgedwongen afscheid nemen van (een deel van) hun werknemers. Vaak wordt de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd, waarbij dan wordt afgesproken dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Dit houdt in dat partijen verklaren dat zij na de afwikkeling van het dienstverband niets meer van elkaar te vorderen hebben. Doel van een dergelijke afspraak is dat partijen definitief van elkaar ‘verlost’ zijn. Uit een recente uitspraak van de kantonrechter Amsterdam blijkt echter dat finale kwijting niet altijd finaal is.
Kantonrechter Amsterdam
In deze zaak had een bekende Nederlandse bank een beëindigingregeling getroffen met een van haar werknemers. In de beëindigingovereenkomst was aan de werknemer een ontslagvergoeding toegekend en waren afspraken gemaakt over de financiële afwikkeling van het dienstverband. Verder was tussen partijen finale kwijting overeengekomen.
Na afwikkeling van het dienstverband vordert de werknemer alsnog uitbetaling van de waarde van de optieregeling waaraan hij deelnam. De bank stelt dat de werknemer geen recht heeft op een uitbetaling aangezien partijen finale kwijting hebben afgesproken.
De kantonrechter concludeert echter dat de optieregeling niet onder de finale kwijting valt. De kantonrechter komt tot die conclusie omdat de optieregeling geen onderwerp van onderhandeling is geweest. Daarom mocht de bank in redelijkheid niet verwachten dat de werknemer zijn aanspraak op de verleende opties heeft laten schieten.
Conclusie
Finale kwijting wil dus niet altijd zeggen dat partijen definitief van elkaar af zijn. Om te bepalen of een bepaald aspect wel of niet onder de finale kwijting valt, wordt gekeken naar de bedoeling van partijen. Deze bedoeling van partijen kan worden afgeleid uit de tekst van de bepaling waarin de finale kwijting is afgesproken. Daarnaast kan de bedoeling van partijen worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval. Zo was in de hiervoor besproken zaak doorslaggevend dat de optieregeling nimmer onderwerp van onderhandelingen was geweest.
Om te voorkomen dat een werknemer na het sluiten van een beëindigingovereenkomst alsnog met succes aanspraak kan maken op een betaling door de werkgever, is het dus van groot belang dat alle (financiële) aspecten worden meegenomen in de onderhandelingen en dat uit de beëindigingovereenkomst duidelijk blijkt wat partijen hierover hebben afgesproken.
Door in de beëindigingovereenkomst vast te leggen wat de achterliggende bedoelingen en overwegingen van partijen zijn bij het sluiten van de beëindigingovereenkomst, kan eventuele onduidelijkheid over aspecten die onverhoopt niet zijn meegenomen tijdens de onderhandelingen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast en bovenal is natuurlijk de formulering van het finale kwijtingsbeding van groot belang.
Kortom: als de werkgever de beëindigingovereenkomst, in het bijzonder het finale kwijtingsbeding, volledig en duidelijk formuleert of laat formuleren, kan dit veel problemen voorkomen.
Dit artikel is geschreven door WvO-advocaten
Willems & Van Ommeren is een specialistisch advocatenkantoor dat op een
praktische manier juridische ondersteuning van een hoog niveau biedt aan zowel nationaal en internationaal opererende ondernemingen.
WVO Academy is een opleidingsinstituut dat op een praktische wijze cursussen en opleidingen verzorgd vanuit een juridische invalshoek.
- Naar de website van WvO-Academy
